Otje is dood.
Ik kan het nog steeds bijna niet geloven. Mijn kleine drietrapsraket. Mijn molotovcocktail, m’n badeendje, m’n genotspoffertje, m’n stuntkonijn, m’n kleine kleffe huppelkut.
Ze is maar vijf jaar oud geworden.
Nu heb ik twee kattengrafjes in die enorme, woeste Zweedse tuin. Dat was helemaal niet de bedoeling. De bedoeling was een oase van rust voor mij en een oneindig speelparadijs voor mijn harige huisgenootje. Toen ik hier kwam wonen, was dat Casper.
Nu liggen Casper en Otje naast elkaar, ieder beschut onder hun eigen, honderd jaar oude grove den.
Het is niet eerlijk. Ik bedoel, je weet dat je verdriet gaat krijgen zodra je een hond of kat in huis neemt; ze worden nooit zo oud als jijzelf. Maar ik vind dat het contract gewoon op vijftien jaar moet staan. Dat is toch best redelijk voor een goed verzorgd en vertroeteld huisdier? Sommige katten worden wel twintig.
Casper kreeg iets aan z’n alvleesklier en werd elf. Otje, die twee jaar oud was toen ik haar uit het asiel haalde, is precies drie jaar en twee maanden bij me geweest. Ik ben gewoon nog niet toe aan zoveel verdriet, zo snel alweer. Ik dacht dat we nog tijd hadden.
Ze was een prachtig klein 3-kilo katje met een schildpadvacht — schildpadjes zijn altijd vrouwtjes. Haar zachte, halflange dubbele vacht zag eruit als een gesmolten toffifee. In de winter banjerde ze uren door de sneeuw; deed haar niets.
Ze had een conga-kont, als Jessica Rabbit. Als ze liep, schudde ze met haar heupen en haar omhooggestoken staart slingerde mee met haar tred, als een topmodel op een catwalk. Ik wilde daar nog steeds eens een filmpje van maken — ik dacht dat we nog tijd hadden — maar toen verloor ze haar achterpoot.
Ze spon met het volume van een V8-motor. Toen Otje hier pas net was, viel mijn beste vriendin ‘s ochtends een keer van haar luchtbed.
*BONK*
“Wat is er??”
“Ik droomde dat ik werd overreden door een vrachtwagen..!”
Otje zat onverstoorbaar bij Marion’s hoofdeind.
*RONK RONK RONK*
Otje tilde heel damesachtig haar staart op voordat ze een scheetje liet. Ze praatte in haar slaap en miauwde zichzelf ook wel eens wakker. Het gezicht dat ze dan trok leek op dat van Marion na haar vrachtwagendroom. Ik wilde dat nog eens op film vangen; ik dacht dat we nog tijd hadden.
Ze toette en piepte als een badeendje. Laatst ving ik dat geluid per ongeluk op met een vogelherkenningsapp en die classificeerde haar met grote zekerheid als meerkoet. Ik heb het fragmentje per ongeluk weggegooid, maar dacht dat ik dat nog wel eens een keer over kon doen.
— Ik dacht dat we nog tijd hadden.
Ze vertrouwde me 100%. Als ze weer eens niet wist hoe ze uit een boom of uit de hanebalken van de schuur moest komen, toette ze net zo lang tot ik met de gifgroene poef op m’n hoofd, als een krankzinnige sultan uit een duizend-en-één-nacht circusact, onder haar ging staan en ze de laatste drie meter op die poef kon springen.
Ze sprong ook zomaar op m’n rug. Niet op m’n schouder, nee, op m’n rug, waar ze dan heerlijk languit ging liggen rollebollen. Als ik m’n tanden stond te poetsen aan de veel te lage wasbak, bijvoorbeeld.
Ze toonde haar genegenheid met likjes, bij voorkeur op m’n voorhoofd. Want dat was haar favoriete plekje om gekriebeld te worden, dus dat moest voor mij dan ook wel zo zijn.
Ze liep mee naar de brievenbus.
*piep piep toet toet*
Even snuffelen, aan een struik, aan een paaltje. En dan weer dribbelen om me in te halen. Daar heb ik gelukkig wél een filmpje van, dankzij grinnikende vrienden die het tafereel vanuit de serre gadesloegen.
Otje was een buitenkat, een jager. Ook als ze binnen speelde, jaagde ze.
Dankzij haar weet ik wat er allemaal leeft — en sterft — in mijn tuin: bosmuizen, veldmuizen, spitsmuizen, vleermuizen. Hazelwormen, salamanders, minstens één zwarte adder, padden en kikkers. Ontelbare zangvogels. Ze kwam ooit thuis met een grote bonte specht. En met een dode ekster, wat haar een levenslange vete met de plaatselijke eksterkolonie opleverde.
— Eksters zijn intelligent, ze herinneren. Ze zullen haar, net als ik, nooit vergeten.
Ze was zo roekeloos dat ik haar ‘s nachts binnenhield. Ik zag haar ooit charges uitvoeren op een husky en op een ree. Ik weet zeker dat ze dat bij een vos of das ook zou proberen — en zou verliezen.
Otje was nooit ziek, toch is ze behoorlijk door de medische molen geweest de afgelopen drie jaar: twee ontstoken vechtwonden, een slangenbeet, een gebroken enkel en de daaropvolgende amputatie.
De afgelopen tien dagen ben ik vier keer met haar bij de dierenarts geweest.
Het begon met hoesten. Ze hoestte slijm op en slikte dat door. Tien, twintig keer achter elkaar. Als je gaat googelen gaat iedereen altijd binnen twee weken dood, maar je komt ook wel op ideeën. Longworm leek me het meest passend en ik gaf haar een ontwormingspil. Normaal gesproken moet dat vier keer per jaar bij een buitenkat, maar in dit geval één per week, vier keer herhalen.
De volgende dag was het hoesten erger. Dokter Olle, de droefgeestige heelmeester op z’n bedrijventerrein, bleek met pensioen te zijn gegaan, maar in de stad was een nieuwe kliniek geopend. Ik kon meteen komen.
Na wat onderzoek en schone röntgenfoto’s was de conclusie: maagzuur.
O.
Dat kan blijkbaar.
Ze schreven haar een maagbeschermer voor, wat ik — zoals gebruikelijk is in Zweden — bij de mensenapotheek moest ophalen. Als de receptuur van het medicijn voor dieren en mensen hetzelfde is, krijg je gewoon het mensenmedicijn mee. In het geval van kinderantibiotica met aardbeiensmaak is dat geen probleem, maar dit drankje smaakte naar pepermunt.
Pepermunt.
Heb je ooit een kat zien speekselen? Dat doen ze als iets bitter smaakt. Het ziet eruit als een wasmachine waar je drie kilo zeeppoeder in hebt gegooid: schuimbekken, gorgelen, bubbelen, sproeien, terwijl ze heel hard wegrennen. Niets van dat drankje is naar binnen gegaan; alles zat op mijn kleren, de vloer, de bank.
Toch was de hoest de volgende dag weg.
Otje was weer haar kiplekkere zelf en speelde buiten. Met die ene achterpoot klom ze nog steeds acht meter hoog in bomen en die dag vond ik haar op het dak van het logeerhuisje in de tuin, waar ze via een boomstam opgesprongen was. — Een verticale afzet; zó sterk was ze.
De dag daarna, zondag, kwam ze halverwege de dag thuis met een doorzakkende achterpoot. Niet bij elke stap, maar bij elke vijfde ongeveer.
*hop hop hop hop hop plof*
Halverwege de trap jammerde ze van de pijn; ik schrok me wild.
Op maandagochtend zaten we dus weer bij die mooie nieuwe kliniek. Ze namen bloedmonsters, want hoest en zwakte in de achterpoten kan wijzen op nierziekte of diabetes, maar volgens haar bloedwaarden was ze kerngezond.
Toen de arts haar rug en gewrichten onderzocht, schreeuwde ze van de pijn.
“De heup. Artrose. Ja, dat gebeurt na een amputatie.”
En ik kreeg een pijnstiller mee.
Ik was sceptisch, want artrose is toch niet iets wat acuut opkomt, maar ik heb geen medicijnen gestudeerd. We gingen naar huis.
Haar pijn ging inderdaad weg, maar de functie van de poot werd niet beter, eerder slechter. Na drie dagen kon ze zelfs de lage sprong op mijn bed of de bank niet meer maken en trok ze zich met haar voorpoten op. Ik zag ook, dat ze overal wél zonder problemen af sprong; haar voorpoten deden dus geen pijn.
Dat wijst niet op artrose.
Op woensdag gaf ik haar haar tweede ontwormingspil. Op vrijdag begon ze weer te hoesten. Op zaterdag was het hoesten heel erg en had ze al 24 uur niet gegeten of gedronken. Dat kan een kat niet hebben en ik belde de noodarts: de veearts hier vlakbij.
Die schrok.
Inmiddels had ik het voordeel van tijdsverloop en ik vertelde het verhaal zo gedetailleerd mogelijk. De hoest leek cyclisch en de achterpoot werd slechter. De arts vreesde een hartkwaal, maar kon geen tests uitvoeren in de weekenddienst. Ze was alleen en voor röntgenfoto’s heb je twee paar handen nodig. Ze gaf Otje een eetlustopwekkend middel en een vochtinfuus.
“Ik maak een afspraak voor maandag, bij een collega met meer ervaring dan ik. Dan keren we haar binnenstebuiten, okay? Ik bel je later nog even of ze eet. Hou haar ademhaling in de gaten en hou haar binnen. En bewaar haar drollen. En bel me als ze benauwd wordt, ook midden in de nacht.”
Maar Otje werd niet benauwd. Ze knapte thuis weer op en at als een paard. Op zondag was ze weer helemaal zichzelf en ze wilde zó graag naar buiten dat ik haar aan het lijntje meenam. En ik beloofde haar dat ze maandag na de dokter weer alleen naar buiten zou mogen.
Ik dacht dat we nog tijd zat hadden.
Op maandag meldden we ons, met twee zakjes drollen uit de koelkast.
De dingen die je doet...
Maar Otje was boos. Otje was het zat. Otje wilde niet weer een vreemde die aan haar zat. Ze ging vol in de stegosaurusmodus: kromme rug, dikke staart. De arts twijfelde of ze wel door moest zetten met de tests.
“Ze heeft een roesje nodig, want zó kan ik haar niet onderzoeken. Maar als het echt haar hart is, kan ze daar in blijven.”
Ik was het getwijfel en gesjouw ondertussen ook zat. Als ze te ziek was voor een roesje, dan was ze te ziek om te leven. Bovendien geloofde ik niet echt in de hartkwaal; ik dacht nog steeds aan longworm. Dus kreeg ze een roesje en kwam er een assistente om te helpen met alle tests.
Ik kreeg een kopje koffie van de receptioniste bij het wachten en stond even buiten bij de paarden, toen de arts me kwam halen. De koffie was nog niet eens op.
Ik zag het al aan haar gezicht.
“Er zit niks vast in haar keel en haart hart is goed. Maar we zagen iets anders op de röntgenfoto.”
Ze zuchtte.
“Alle pezen in haar knie zijn afgescheurd.”
Ze keek of ik begreep wat dat betekende.
Ik moest even gaan zitten.
Het betekende dat Otje en ik geen tijd meer hadden.
“In Zweden zetten we geen twee poten af. En we kunnen wel opereren, maar zelfs als dat lukt, dan moet ze drie tot zes maanden revalideren in een bench en mag ze absoluut niet bewegen. Dat is geen doen. Ik adviseer om haar nu een spuitje te geven, nu ze nog slaapt.”
Ze keek heel spijtig.
“Het is heel zonde van zo’n mooi katje. Je kan haar ook nog een paar dagen mee naar huis nemen, maar dan moet ze straks weer door al die stress heen.”
Aggos.
Nee.
“Okay.”
En de waterlanders kwamen in overvloed.
Ach m’n lieve poepie. Wat heb je nou toch weer uitgevreten?
Sinds de amputatie was ze sneller moe, maar niet voorzichtiger geworden. Elke keer als ze naar buiten ging zei ik het, als een mantra: “Doe voorzichtig! Niet te ver!” in de hoop dat het ooit een keer zou blijven plakken. Maar ze luisterde nooit. Ze dacht dat ze alles kon.
Ze dacht dat ze tijd zat had.
***
Otje ging niet dood.
Door het roesje was haar bloeddruk zo laag geworden dat ze in beide voorpoten geen ader meer konden vinden voor ‘het’ spuitje.
“Dan moet ik het rechtstreeks in haar hart injecteren. En als dat niet luikt, in haar buik, maar dan duurt het langer.”
Inmiddels begon het roesje uit te werken. Er moest een tweede verdoving in — in de nek — snel, voordat ze bij bewustzijn kon komen. En de arts ging met de dodelijke spuit, voor een derde gevuld met een blauwige vloeistof die me aan spiritus deed denken, op zoek naar Otjes hart.
“Er moet eerst een beetje bloed terugkomen.”
Drie, vier, vijf keer…
“Dit is me nog nooit gebeurd.”
Zes, zeven keer…
— Bloed, een beetje.
De spuit ging leeg. Maar de arts aarzelde.
“Ik doe het nog een keer, het spijt me. Maar ik ben niet zeker dat het gelukt is. Dit is me nog nooit gebeurd.”
We kregen zo een heel klein beetje tijd erbij, Otje en ik, maar dit was niet de bedoeling.
Nog een keer prikken naar het hart. Dit keer was de spuit voor tweederde gevuld, zag ik.
“Dubbele dosis?”
“Ze is een apart geval. Ik wil dit keer zeker zijn.”
Vier, vijf...
— Bloed. Veel, nu.
En de spiritus ging erin.
De arts luisterde naar het hartje, wat stopte. Deed de oogreflextest. Ademde opgelucht uit.
“Ik geef jullie even wat tijd.”
Maar dat was precies wat we niet meer hadden.



Och wat verdrietig… maar wat ontzettend mooi beschreven. Heel veel liefs 💜
Sterkte💗 hopelijk is otje nog ergens (dat hoop ik tenminste) vol rust